Terug naar Kennis

Voor endurance · Endurance

Waarom we uw endurancepaard zo voeren

Als u zich ooit heeft afgevraagd waarom het EVN-voedingsplan voor uw endurancepaard er anders uitziet dan wat veel stallen standaard doen — dit legt de redenering achter elke belangrijke keuze uit. Geen vakjargon, alleen het 'waarom'.

1. Waarom vet, niet zetmeel

De meeste commerciële paardenvoeders zijn gebouwd rond zetmeel — de energie in granen. Zetmeel is een snelle brandstof. Het werkt goed voor sprintatleten: renpaarden over een mijl, springpaarden die een parcours in drie minuten afleggen. Uw endurancepaard is geen sprintatleet. Over 80 of 160 kilometer is de belangrijkste brandstof vet — het vet in het lichaam van het paard zelf en het vet in het dieet. Vet levert per gram ongeveer twee keer zoveel energie als zetmeel, en het lichaam kan het uren achtereen gestaag aanspreken, zonder de pieken en dalen van zetmeelrijk voeren.

Een endurancepaard vooral op zetmeel voeren is als een hardloper die een marathon op energiedrankjes wil volbrengen. Het werkt even — en dan niet meer. Uw EVN-plan bevat olie of een vethoudend voer als belangrijkste energiebron. Dat is bewust: het lichaam heeft ongeveer 8–12 weken nodig om vet efficiënt als brandstof te leren gebruiken — daarom beginnen we ruim vóór het seizoen met vet, niet een week vóór de eerste rit.

2. Waarom zoveel hooi

De dikke darm van het paard is enorm: ongeveer 3–4 meter lang en met 80–100 liter water en verterende vezel. Het is in feite een ingebouwde watertank. Als het paard hooi eet, houdt de vezel in de dikke darm water vast; terwijl het paard werkt en vocht verliest, put het lichaam uit dit reservoir. Hooi is geen ballast — hooi is vochtbeheer. (Zie 'De ingebouwde watertank van uw paard'.)

3. Waarom elektrolyten mét water — nooit zonder

Paardenzweet is zouter dan het vocht in de bloedvaten. Elke keer dat uw paard zweet, verliest het naar verhouding meer zout dan water. Over een lange rit raakt het lichaam relatief zoutarm. Vult u dat verlies aan met alleen water — zonder zout — dan verdunt u het resterende zout verder (verdunningsonevenwicht), en dat maakt het erger. Daarom gebruiken we elektrolyten met natriumchloride als hoofdbestanddeel: ze vervangen wat het paard werkelijk verliest.

Maar — cruciaal — elektrolyten moeten altijd mét water. Een elektrolytenpasta zonder water trekt vocht uit de darmwand de darm in en verergert de uitdroging tijdelijk. De regel bij EVN is absoluut: elektrolyten alleen als water beschikbaar is en het paard al gedronken heeft. Daarom begint de vetgate-volgorde met afkoelen, dan water, dan hooi — en pas dan elektrolyten. De volgorde is geen willekeur; hij volgt de fysiologie.

4. Waarom we geen alkaliserende supplementen gebruiken

U heeft misschien gehoord van 'bicarbonaat laden' (zuiveringszout) als prestatiemiddel — het idee dat het het melkzuur buffert dat bij intensieve inspanning ontstaat. Voor endurancepaarden is dit volledig verkeerd, en mogelijk gevaarlijk. Sprintpaarden op maximale intensiteit produceren veel melkzuur; hun bloed wordt zuur, en bicarbonaat neutraliseert dat. Endurancepaarden werken juist urenlang op matige intensiteit en produceren dat melkzuur niet zo — integendeel, over een lange rit wordt het bloed licht té alkalisch (alkalose).

Bicarbonaat toevoegen aan een paard dat al naar alkalose neigt, maakt het probleem erger: alkalose verstoort de spierfunctie en de calciumregulatie en draagt bij aan de gevaarlijke 'thumps'. Bovendien staat bicarbonaat op de FEI-verbodslijst voor endurance. Vraagt iemand — een andere ruiter, stalhouder of voervertegenwoordiger — of uw paard bicarbonaat of een alkaliserend middel moet krijgen, dan is het antwoord nee. Twijfelt u over een product? Overleg met EVN vóór u het geeft.

Dit is algemene informatie. Het vervangt niet het individuele voedingsplan dat uw EVN-dierenarts voor uw paard opstelt na beoordeling.